Wiktenauer logo.png

Page:De Nassavsche Wapen-Handelinge (Adam van Breen) 1618.pdf/15

From Wiktenauer
Jump to: navigation, search
This page needs to be proofread.


Lof-Dicht op den Nassauschen Wappen-Oeffeninge.

Die vrij is vande nijdt, en met gheen zucht beladen,
Die neyghe voor't autaer der vroomer Oorlochs-daden
 Vant vrije Nederlandt. Des lasters haest een rouwt;
 Want die hier smaelten schimpt, den Hemel hy bespouwt.
Nassausche Lauwer-crans, van yder een ghepresen:
Door’t Vorstelick beleydt, ten Hemel toe gheresen:
 Dat ghy behieldt het veldt, ô Prins, hoe lanx hoe meer,
 Deed’ u bedreven volck, end u geoeffent heer.
Die’t recht der Waep’nen kendt, is vroom tot allen stonden,
En vreest niet aen te gaen, het gheen hy heeft bevonden.
 Want oeffening die baert een mannelick ghemoet,
 Betrouwend op sijn konst, schopt Charon met de voet.
Ghy Batavier, ghy Duyts, ghy Gallen en Britannen,
Dus meesters van het veldt; hier sonder, halve mannen:
 Jae minder noch, jae niet tot strijden onbequaem,
 Geboren tot den val, en sterven sonder naem.
Een ongheoeffent man, blijft in siin jonghe daghen;
Gheoeffent, siet veel sneews, siin vyandt dick verslaghen:
 Den sulcken onbeschroomt den Lauwer-hoedt verwacht,
 Den ander ongeleert wordt hondsche-wijs gheslacht.
Dus wapent uwen arm: doet aen dees vreemde wiecken,
En vliecht den vyandt in dus vellet uwe piecken,
 Dus biedt hun ’tstalen punt: dus berght u in u schilt:
 Dus handelt u gheweer, dus met u dagge drilt.
Dus rechts-om, slincks-om buycht, als groen’ Orange telgen,
Tot eer van’t Vaderlandt, en spijt van hun die’t belgen.
 En siet ghy niet, hoe dat een yder staet verschrickt,
 Als ghy u degen treckt, en dese wiecken wickt?